Mister Dutch

Spraakmakend in taal

[woordenlijst - visie]

vi-sie (de ~ (v.), ~s)

  1. de wijze waarop men zaken beoordeelt, beschouwt => beschouwing, kijk, zienswijze

uit·gangs·punt (het ~)

  1. beginsel dat, veronderstelling die men aanneemt => uitgangspositie, vertrekpunt

woor·den·schat (de ~ (m.))

  1. verzameling woorden die een taal rijk is, die deel uitmaken van een bepaald jargon of die iem. kent => lexicon, vocabulaire

gram·ma·ti·ca (de ~ (v.), ~‘s)

  1. leer van het systeem van een taal, geheel van regels volgens welke woorden en zinnen in een taal gevormd worden => spraakkunst
  2. boek waarin een grammatica behandeld wordt => spraakkunst

an·ders·ta·lig (bn.)

  1. een andere taal gebruikend

werk·vloer (de ~ (m.))

  1. de plaats waar gewerkt wordt
  2. bij betonwerk een grondlaag van mager beton waarop de wapening en bekisting van het opgaande werk kunnen worden gesteld

feed·back (de ~ (m.))

  1. terugkoppeling, informatie van of overleg met de achterban

kri·tisch (bn.)

  1. geneigd, bekwaam tot oordelen <=> onkritisch
  2. betr. hebbend op de kritiek
  3. [nat.] op het punt staande over te gaan van de ene toestand in de andere
  4. [nat.] voldoende om telkens weer een nieuwe kernreactie te laten ontstaan

con·text (de ~ (m.), ~en)

  1. zinsverband
  2. verband waarin iets zich voordoet
  3. [jur.] bewoordingen

prak·tijk (de ~, ~en, ~en, ~en)

  1. uitvoering, toepassing van de theorie => praxis
  2. beroepswerkzaamheid van een advocaat, arts enz.
  3. pand, ruimte waarin een advocaat, arts e.d. zijn beroep uitoefent
  4. gewoonte, gebruik

taal·ver·wer·ving (de ~ (v.))

  1. het zich eigen maken van de of een taal

taal·com·pe·ten·tie (de ~ (v.))

  1. het vermogen om een taal voort te brengen en te begrijpen => competentie

com·pe·ten·tie (de ~ (v.), ~s)

  1. deskundigheid, geschiktheid => bekwaamheid
  2. bevoegdheid tot handelen of oordelen
  3. [taalk.] impliciete kennis die men heeft van de eigen taal => taalcompetentie

re·flec·tie (de ~ (v.), ~s)

  1. weerspiegeling, terugkaatsing
  2. beschouwing, overdenking => overpeinzing

cy·clus (de ~ (m.), cycli/~sen)

  1. één ronde uit een kringloop van zich herhalende verschijnselen of gebeurtenissen => periode
  2. reeks van min of meer samenhangende boeken, composities, lezingen enz.
  3. [Belg.] reeks van leerjaren in het hoger en volwassenenonderwijs

ge·vor·der·de (de ~ (m.), ~n)

  1. iem. die door oefening al een vrij hoog niveau bereikt heeft

Naar boven!