[woordenlijst - visie]
vi-sie (de ~ (v.), ~s)
- de wijze waarop men zaken beoordeelt, beschouwt => beschouwing, kijk, zienswijze
uit·gangs·punt (het ~)
- beginsel dat, veronderstelling die men aanneemt => uitgangspositie, vertrekpunt
woor·den·schat (de ~ (m.))
- verzameling woorden die een taal rijk is, die deel uitmaken van een bepaald jargon of die iem. kent => lexicon, vocabulaire
gram·ma·ti·ca (de ~ (v.), ~‘s)
- leer van het systeem van een taal, geheel van regels volgens welke woorden en zinnen in een taal gevormd worden => spraakkunst
- boek waarin een grammatica behandeld wordt => spraakkunst
an·ders·ta·lig (bn.)
- een andere taal gebruikend
werk·vloer (de ~ (m.))
- de plaats waar gewerkt wordt
- bij betonwerk een grondlaag van mager beton waarop de wapening en bekisting van het opgaande werk kunnen worden gesteld
feed·back (de ~ (m.))
- terugkoppeling, informatie van of overleg met de achterban
kri·tisch (bn.)
- geneigd, bekwaam tot oordelen <=> onkritisch
- betr. hebbend op de kritiek
- [nat.] op het punt staande over te gaan van de ene toestand in de andere
- [nat.] voldoende om telkens weer een nieuwe kernreactie te laten ontstaan
con·text (de ~ (m.), ~en)
- zinsverband
- verband waarin iets zich voordoet
- [jur.] bewoordingen
prak·tijk (de ~, ~en, ~en, ~en)
- uitvoering, toepassing van de theorie => praxis
- beroepswerkzaamheid van een advocaat, arts enz.
- pand, ruimte waarin een advocaat, arts e.d. zijn beroep uitoefent
- gewoonte, gebruik
taal·ver·wer·ving (de ~ (v.))
- het zich eigen maken van de of een taal
taal·com·pe·ten·tie (de ~ (v.))
- het vermogen om een taal voort te brengen en te begrijpen => competentie
com·pe·ten·tie (de ~ (v.), ~s)
- deskundigheid, geschiktheid => bekwaamheid
- bevoegdheid tot handelen of oordelen
- [taalk.] impliciete kennis die men heeft van de eigen taal => taalcompetentie
re·flec·tie (de ~ (v.), ~s)
- weerspiegeling, terugkaatsing
- beschouwing, overdenking => overpeinzing
cy·clus (de ~ (m.), cycli/~sen)
- één ronde uit een kringloop van zich herhalende verschijnselen of gebeurtenissen => periode
- reeks van min of meer samenhangende boeken, composities, lezingen enz.
- [Belg.] reeks van leerjaren in het hoger en volwassenenonderwijs
ge·vor·der·de (de ~ (m.), ~n)
- iem. die door oefening al een vrij hoog niveau bereikt heeft

